Structureel wegkijken

Herry Vos

De geschiedenis van de erkenning door de maatschappij dat seksueel misbruik bestaat, is lang en wordt gekenmerkt door kleine stapjes, langdurige ontkenning en pas schoorvoetend toegeven als iets niet langer ontkend kan worden. De lijst is lang: incest, verkrachting, misbruik binnen instituties (religies, sport, toneelopleidingen, enzovoort). En als – voorlopig laatste? – misbruik door bekende en machtige personen uit hogere kringen: misbruik in een georganiseerde en criminele context.

Parallel hieraan loopt de historie van het – niet – serieus willen nemen van de verhalen van slachtoffers, en van de gevolgen – ook en misschien wel vooral de psychische.  De geschiedenis van de erkenning van het bestaan van posttraumatische stress vertoont dezelfde langzame gang naar erkenning; langzaam groeit de acceptatie van de grote diversiteit in de aard van de trauma’s en de (beroepen van de) mensen die er door geraakt worden.

Ook de geschiedenis van veel psychiatrische ziektebeelden leert ons dat het tijd kost voordat we ons kun verplaatsen in wat er met hen die hieraan lijden, aan de hand is. Waarom nemen we aan dat schizofrenie, angststoornissen, depressie, huiselijk geweld, incest bestaan? Wat maakt dat we niet aannemen dat georganiseerd seksueel misbruik bestaat? Ook daar verhalen mensen over. Ook daar ontstaan specifieke symptomen, zoals ze er ook zijn bij die andere, en waarvan we daarom weten dat het bestaat. Met betrekking tot de bijvoorbeeld de diagnose van depressie zijn er nog steeds onduidelijkheden, zijn er soms tegenstrijdige meningen. Zij maken niet dat we niet geloven dat het bestaat. Een verschil is dat we het aantal aan schizofrenie, depressie en angststoornissen lijdende mensen ongeveer kunnen tellen; van de slachtoffers van georganiseerd geweld weten we alleen van de mensen die de moed hebben zich te laten tellen. Maar zijn zij daarom niet te geloven, bestaat daarom wat zij ondervonden niet?

Het is steeds weer de geschiedenis van niet willen weten – gedreven door afschuw, angst en schaamte over eigen verborgen fantasieën, schuld over eigen handelingen, angst voor het erkennen dat mensen onvoorstelbaar wrede dingen kunnen doen met anderen, vanaf de babytijd of zelfs daarvoor. Nou ja, misschien in oorlogssituaties of in ‘minder beschaafde’ streken, maar niet hier, dicht bij huis, door mensen zoals wij. Als oren en ogen worden gesloten – omdat het te onvoorstelbaar is, en dus te bedreigend voor het persoonlijk welbevinden – bestaat iets niet. Als het te dichtbij komt – emotioneel, of als je er zelf bij betrokken bent – kan en mag het niet bestaan.

Als experimenten in laboratoria met gezonde vrijwilligers bepaalde geheugenprocessen aantonen, bestaan de andere geheugenprocessen zoals die bij slachtoffers worden aangetoond, niet en zijn aangepraat. Als een enkele psychotherapeut te suggestief bezig is met cliënten, bestaan dissociatieve verschijnselen als gevolg van vroeg en chronisch misbruik niet, en zijn alle therapeuten die zich met deze problematiek bezighouden, onbetrouwbaar.

Als slachtoffers niet in staat zijn – door hun problematiek – een congruent en consistent verhaal te vertellen bij een aangifte, dan kan hun verhaal dus niet waar zijn. Als er geen juridisch waterdicht bewijs kan worden gevonden, bestaat geritualiseerd sadistisch misbruik niet. Als bij een aangifte het woord ‘ritueel’ valt, of als er sprake is van herinneringen aan misbruik die tijdens een behandelproces naar voren komen, dan is dit een reden geen verder justitieel onderzoek te doen. Het bestaat niet.

Als…

Gelukkig zijn er af en toe grote zaken – Weinstein, Epstein, Maxwell – die opeens meer openheid creëren. Met als gevolg het ontstaan van massale bewegingen zoals #MeToo – waarvan overigens moet worden afgewacht wat op de langere termijn het effect zal zijn.

Gelukkig worden af en toe grote kinderpornonetwerken opgerold, zoals recent in Duitsland, zodat – even – het besef doordringt dat zoiets daadwerkelijk bestaat. Zonder dat hieraan de conclusie wordt gekoppeld dat het zich ‘gewoon’ onder ons bevindt en dat verhalen van volwassen mensen die zeggen slachtoffer van dergelijke praktijken te zijn (geweest) wel eens op waarheid kunnen berusten. Want hun verhalen, zeker als die naar voren komen tijdens politieverhoren, zijn zoals gezegd vaak inconsistent. En dus – volgens de richtlijnen van justitie – onbetrouwbaar. ‘Vergeten’ wordt dat de verhalen van deze mensen per definitie niet consistent kúnnen zijn. Dat ze wellicht toch op waarheid kunnen berusten, mag niet worden geloofd.

Gelukkig onderschrijft iedereen dat valse aangiftes voorkomen en dat zij veel schade berokkenen.

Gelukkig komen valse aangiftes waarschijnlijk zeer weinig voor.

Niet zo gelukkig is het dat de angst – die vaak een overtuiging is geworden – voor valse beschuldigingen in waarschijnlijk niet weinig situaties leidt tot het niet geloven van slachtoffers en de aanname dat alle mogelijke daders geloofwaardiger zijn.

Langzamerhand heeft dissociatie – als gevolg van met name vroege traumatisering – een plek gekregen binnen de psychiatrie en psychologie. Nog steeds wordt die plek betwijfeld en betwist. Nog steeds is de kennis erover beneden de maat, zeker als het gaat over de kennis en ervaring met de behandeling ervan. Nog steeds wordt niet onderkend welke desastreuze gevolgen dit heeft, in de eerste plaats voor degene die hierdoor opnieuw wordt ontkend in haar of zijn bestaan, maar zeker ook in maatschappelijk opzicht: divers onderzoek wijst op de grote kosten die het gevolg zijn van het slecht of niet behandelen van trauma gerelateerde klachten, zoals die op somatisch terrein, uitval op de arbeidsmarkt en aanspraak maken op sociale voorzieningen.

Langzamerhand – veel te langzaam en veel te weinig – komen er mogelijkheden slachtoffers te behandelen. Om van het effectief behandelen van daders maar niet te spreken. Maar langzamerhand nemen ook de wachtlijsten toe, tot een onaanvaardbare lengte.

Langzaam is de kennis toegenomen over hoe misbruik zich ook kan afspelen binnen netwerken. Pedofiele netwerken, kinderpornonetwerken, netwerken van religieuze aard en tenslotte criminele netwerken, vaak gelieerd aan mensenhandel en geconstrueerd rondom het stelselmatig en ingenieus programmeren van mensen vanaf hun babytijd, om geschikt te worden om te kunnen werken als seksslaaf, in de (kinder)pornowereld en de prostitutie. Mensenhandel in optima forma. De recente VPRO Argos documentaires over het onderwerp en het onderzoek van RTL-journalist Daniël Verlaan op het darkweb, maken pijnlijk duidelijk wat er zich in deze netwerken afspeelt. Niet langzaam waren de reacties hierop van de kant van ontkenners: snel weer over tot de orde van de dag, dan wel het de onderzoekers kwalijk nemen dat zij de verhalen – en dus degene die deze vertelt – serieus nemen, omdat het fantasie zou zijn; zonder overigens bewijs te leveren voor dat fantasiekarakter.

Langzaam wordt helder hoe deze netwerken in staat zijn hun bestaan te verhullen, en dus ongrijpbaar te blijven voor politie en justitie. Met als gevolg dat ze ‘dus niet bestaan’. Dus gaan daders vrijuit, en hebben wij hen toegestaan nog meer slachtoffers te maken.

Langzaam neemt het aantal media toe dat aandacht besteedt aan deze fenomenen. Veel te langzaam en te sporadisch, want het is noodzakelijk dat de kennis over deze fenomenen breder bekend wordt.

Onvoorstelbaar is het dat nog steeds wordt geloofd dat resultaten van laboratoriumonderzoek bij gezonde volwassen vrijwilligers naar de werking van het geheugen één op één zouden kunnen worden vertaald naar wat er met het geheugen gebeurt als men vanaf zeer jonge leeftijd in volstrekte machteloosheid en afhankelijkheid aan de meest vreselijke, beangstigende en (levens)bedreigende ervaringen is blootgesteld.

Onvoorstelbaar groot is de invloed van de wetenschappers, die volhouden dat laboratoriumonderzoek de basis moet zijn van ons handelen, op het functioneren van instanties die in principe de taak hebben kwetsbare mensen te beschermen, met als gevolg dat juist deze mensen worden gehertraumatiseerd.

Onvoorstelbaar is het dat een hele beroepsgroep van psychotherapeuten kan worden weggezet als de veroorzaker van dat hun patiënten zich stap voor stap en met heel veel schaamte en pijn ver weg gestopte ellende gaan herinneren in een langzaam veilig geworden contact en zonder dwang, omdat een enkele behandelaar te suggestief – en dus verkeerd – bezig is geweest.

Onvoorstelbaar dat er zo weinig tegengeluid is tegen deze onderdrukkende, arrogante houding van een kleine groep wetenschappers, die opvallend weinig zelf ervaring hebben met de behandeling van mensen met deze (zeer complexe) problematiek, en die zich opvallend weinig door andere wetenschappers laten corrigeren.

Onvoorstelbaar leed roept blijkbaar onvoorstelbare en niet op feiten gebaseerde reacties op, die weer onvoorstelbaar leed oproepen bij hen die al onvoorstelbaar leed hebben ervaren.

Wij zijn met z’n allen verantwoordelijk voor dit hele proces, en vooral voor de dringend noodzakelijke verandering daarvan. Het is de hoogste tijd voor een herbezinning en een einde aan decennia van ontkenning.

Herry Vos, voormalig kinder- en jeugdpsychiater/psychotherapeut, bestuurslid Kenniscentrum Transgenerationeel Geweld (KTGG)