Meer over geestelijke strijd

Satan is samen met zijn engelen uit de hemel geworpen en zwerft nu woedend rond op aarde op zoek naar mensen die hij levend gevangen kan nemen en zo kan dwingen zijn wil te doen. Onze wapenrusting is met name bedoeld om ons te beschermen in de geestelijke strijd, maar we hebben ook één aanvalswapen gekregen: de woorden die we spreken (die geleid worden) door de Geest. Een belangrijk doel van deze woorden is om de bolwerken van satan te slechten en zijn gevangenen te bevrijden in Jezus’ naam. Dit gaat niet zonder strijd. Satan geeft zijn macht (over mensen) niet zomaar op. Hij laat ze niet zonder slag of stoot gaan. Het is om deze reden dat hij – samen met de demonen – slachtoffers (en daders) die proberen uit de cult te stappen op allerlei manieren aanvalt. Voor hem is het heel simpel: hij wil zijn gevangenen óf terug óf dood – en het liefst uiteindelijk beide. Jezus is echter de Koning die gevangenen bevrijdt en hen het leven geeft. We mogen Hem vragen – bidden en smeken – om Zijn licht te laten schijnen in de duisternis en we mogen in Zijn naam bevrijding en leven uitspreken over alle mensen die satan gevangen probeert te houden. En bovenal mogen we Hem danken dat Hij degene is die redt, die gerechtigheid zal doen geschieden en die alles nieuw zal maken. (Gebaseerd op: Op. 12:7-12; 1 Petrus 5:8-9; 2 Tim. 2:24-26; Efeze 6:11-18; Jes. 61:1; Joh. 3:16; Joh. 12:46; en Op. 20-21)

Paulus legt in Efeze 6 uit dat het zwaard de Geest is, en hij geeft daarbij aan dat het gaat om ‘Gods woorden’. Ieder woord dat wij spreken dat geleid wordt door de Geest, ieder woord dat van Hem komt, is een frontale aanval op het rijk van de duisternis. Toen Jezus de verzoeking weerstond in de woestijn, sprak Hij woorden uit het Oude Testament. Toen Hij demonen uitdreef, onderwijs gaf, mensen vertroostte, mensen genas, sprak Hij ‘gewone’ woorden – woorden die Hij van God had (want alles wat Hij deed en zei kwam van de Vader). Jakobus noemt de tong een klein orgaan vol grootspraak, hij noemt het een vuur. We zegenen God ermee en vervloeken er mensen mee die Hij gemaakt heeft – iets waarvan Jakobus zegt dat het niet goed is (Jak. 3:1-12). Als Paulus de Geest ons zwaard noemt (ons aanvalswapen) en daarbij specificeert dat het gaat om ‘Gods woorden’, dan laat hij zien dat onze woorden het wapen zijn waarmee we de duisternis kunnen aanvallen. Ieder woord dat van God komt – ieder woord dat ons door de Geest gegeven wordt – schijnt licht in de duisternis. Ieder opbouwend woord, ieder woord van troost of barmhartigheid, iedere zegenbede, iedere smeekbede voor de redding van mensen – dát is ons aanvalswapen in de geestelijke strijd. Daarom moeten we ons bij het bidden laten leiden door de Geest, omdat we daardoor in staat zijn om Gods Geest door ons heen te laten spreken – wat eigenlijk niets anders is als een onderdeel van het ‘onophoudelijk gebed’.